Wim van Binsbergen

Vrijgeleide

gedichten 1977-1985

Haarlem: In de Knipscheer, 1986

  ISBN 90 6265 218 2  

terug naar poezie homepage

 

AFSCHEID VAN AFRIKA (1)

UIT GHANA

BIJ EEN MEISJE UIT ZUID-AFRIKA

PAULINE

NACHTELIJK MAAL Guinee-Bissau

MONDSCHEINSONATE VOOR EEN VRIENDIN

VRIEND

 

WACHTWOORD

SPROOKJE VAN GRIMM

MUZE

MWENDA-NDZJANGOERA

LICHTER

REMBRANDT: WEINIG BEKEND ETSJE VAN EEN NAAKTE VROUW Rembrandthuis

TOETJE

WOERD

WELTERUSTEN

NA HET VRIJEN

REE

RESTAURANT

NOCTURNE

REISAMULET om in je hart te vouwen

 

ARABISCHE REIZEN

OMAR KHAYYAM

AVONDBUS

SOEKS

GOUDEN MINIATUUR

GASTARBEIDERSLIED

LOOIERSBUURT

VORSTENGRAVEN

HET PAVILJOEN

OBE

ARABISCHE REIZEN

 

INCOGNITO

HARING

VAKANTIEGEDICHT

FRIESLAND

HOGAN

SALTEN NESS

MAANDAGOCHTEND IN BROOMCROFT HALL

OCHTEND IN ALEXANDRIË

BIARRITZ

 

DOCUMENTEN

PIANOVERVOER

LUCHT verjaardagscadeau voor mijn moeder

MIJN MOEDER KIJKT UIT HET RAAM

STERFHUISCONSTRUCTIE

‘GEZICHT 1963’

KREUTZER SONATE

SWEELINCK

BOEK

TEGEN HET FASCISME

 

AFSCHEID VAN AFRIKA (2)

AFSCHEID VAN AFRIKA

 

VRIJGELEIDE

UITREIS

BESPIED

FALSTAFF

KOTO-MUZIEK

VRIJGELEIDE


AFSCHEID VAN AFRIKA (1)

UIT GHANA

Zo oud is de man
dat blank of zwart van hem heeft losgelaten
als de bolster van een kastanje
als de schil van een kolanoot, spreuken
wetteksten orakels
hangen om zijn schouders als flarden
statiekleed, in zijn schoot
een zandloperdrum waarvan hij even
met vlakke hand de verslapte spanning beproeft:
Asantahéne
stemloos in de tijd

Vorstendommen als vergeten yams
in de koude as van het kookvuur
dynastie‘n als verlaten spinnewebben
in het afdak boven het kookvuur
maar zijn kleindochter die naast hem knielt
en hem volgens de regels der hof-
etiquette palmwijn aanbiedt
is onnadrukkelijk zwanger

Stil en verbeten
bevecht het bos de ontginning
het kleinwild wichelt de sterren
hoe lang is de draagtijd van de waarheid
hoe breekt de dauw van spanning
als de tijd in neonletters
begint te fluisteren
constitution.

Uit Ghana:  gedicht geschreven ter gelegenheid van een promotie over consti­tutioneel recht in Ghana.
Asantahéne:  titel van de vorst van het Asante-rijk in West-Afrika.

BIJ EEN MEISJE UIT ZUID-AFRIKA

Ik sloeg een besmuikte blik op haar bed
waar het gehaakte sprei een trilogie helemaal voorlas

En toch even Tafelberg als dreigend als te vermijden
wij een vluchtpoging voorbereidend misschien zelfs
van Robbeneiland zelf heel wat zwarter allebei
en in deze folterplaats onverdiend Walhalla de
Speer van het Volk drillend al, in onze handen

In plaats van inkomstenbelasting, hypotheek en sjoelgang,
ondergoed, vrijspiegels, een klein lichaam, een meisje
toegevouwen rond vochtige randen van verrukking en wanhoop

Hoe toegeeflijk hoe cynisch mag ik zijn nu
apartheid, ballingschap, een visum getraineerd tot
haar moeder al gestorven was, vernedering, worden
geperverteerd tot een klucht van liefde of getrouwd
komische voordracht voor roze heer en bruine dame

En ‘alles gezien hier, ja?’ gaat ze me geposeerd-
vrolijk voor, uit deze kamer met lits-jumeaux
naar de logeerkamer ernaast, op weg al
naar beneden.

‘De Speer’  etc.: de verwijzing is naar de naam van de militaire vleugel van de Zuidafrikaanse bevrijdings­organisatie African National Congress.

PAULINE

‘Ach, wij vrouwen zijn immers zwak
we houden van alle mannen want
hoe kun je gezond blijven
zo gezond als we dan nog zijn
zonder het medicijn dat hun zaad bevat?

Dus daar ligt je nou in het nest met je eerste witkop
en echt waar hij is bijna een mens
hij praat over je volk als zijn familie
weet echt wel iets van ons kan zelfs dansen
en hij is anders mooi dan onze mannen

Je hebt nog nooit zo’n veel jongere man gehad
je laatste vriend over de vijftig was hij
en deze is sterk twee keer per nacht
of het niets is en dat dag na dag
in plaats van één keer per week zoals
in onze huwelijken hier

Wel dodelijk vermoeiend en de kwaliteit
van het zaad en de gesprekken lijdt eronder
en of het nu door de kou in zijn land komt
bij een beetje vrijen zweet hij al
als onze olifantsjagers in doodsnood

Maar het is een feest een man te hebben
die je mag aanraken in zijn slaap en strelen
zonder dat hij opschrikt en schreeuwt:
‘wat voor medicijn
verberg je daar in je hand?
blijf van me af wil je me soms beheksen?’

Een man die zelf klaar nog doorgaat
eerst denk je wil hij nu ook klaarkomen aan
zijn tong, aan zijn handen? tot je ongelovig beseft
dat hij wil dat je zelf tot het einde gaat, kreunt,
kermt, rilt, alsof je een man bent

Hij zet je borsten gemeen in vuur
en als je komt (je verbergt het nog
als altijd, maar dit is een minnaar)
is hij niet als onze mannen bang
zwanger gemaakt te worden door een wijf
nee hij is blij alsof hij aan jou
een opdracht mag vervullen

En onderwijl leert hij je kussen
wat eigenlijk best wel leuk is

Een man die zich nog wassen laat
volgens de regels die je als jong meisje geleerd hebt
(‘van zijn linker vingertoppen
naar het midden van zijn lijf
en dan van rechts weer
en van boven naar onder
en scheer zijn haar laat niets staan
op oksels, buik, liezen en ballen
tenzij je wilt dat je later
door de begrafeniszangers bespot wordt’)

Een man die zich na het vrijen
in je armen laat sluiten als een broertje,
woorden leren, verhalen vertellen, geheimen
van vrouwenleven die je met geen
van onze mannen kunt delen
(de kraal in de schede van het meisje
het medicijn om van binnen droog te blijven de
mensenslang aan de poel gekweekt
de moedermelk gedruppeld
onder de voorhuid van je baby)

Een man die ontroerd is gewoon als je hem
toestemming vraagt om buiten
een plas te mogen

Hij heeft net ontdekt dat je wit bent van binnen
wie is er eigenlijk de vreemde hier
je wist niet dat je in je eigen
zelfbetaalde bed zo ver kon reizen.’

NACHTELIJK MAAL
Guinee-Bissau


Na onze zoveelste reis door het donker
(ik voel je armen nog om mijn
eindelijk afgeslankte heupen; de motorfiets
heeft ons bokkig, verongelijkt om jou als indringster
over het wasbord gehaald van de aardweg, en voor straf
alle opwinding uit ons kruis geschrobd)

Valt het dorp na het eerste groetend
uitlopen weer vrijwel stil, we staan alleen
voor mijn gehuurde hut, daarachter
(nieuwe rol, geen souffleur) de coulissen
van andere grote zwarte hutten van bos

Onze fluisterstemmen krijgen een tweede klank
als een kano tussen de mangrove: verdubbeld
klankbord op het watervlak, of voor
een grot van dieper duister tussen
de zwarte ondergroei (het toverwoord
kenden wij toch immers, de schatten hebben wij
hier ooit nog zelf opgetast - maar waar?)

De batterijen blijken bijna leeg
ook in het laatste stadje was geen brood te krijgen
nu nog rijst koken, op dit uur?
maar we wilden zo graag nog samen eten

Als ik probeer de tilleylamp aan te steken
stoot ik het laatste kousje uit heel Guinee-Bissau
aan flarden, en de nieuwe, in de zadeltassen,
uit Senegal, zijn bij deze duisternis onbereikbaar
de afkoelende motor levert
sarcastisch commentaar: metaalgetik

Tot opeens mijn buurvrouw eten brengt
(zij had zo iets gezegd maar mijn Creool
bleek ontoereikend; ik had me wel geërgerd
dat zij jou nog niet was komen groeten)

Onder haar blote schouders een omslagdoek
die maar net op haar borsten blijft hangen: ze heeft
niet eens de tijd genomen haar enige jurk
aan te trekken v—or ze voor ons ging koken

Door de nachtkou zeker
beslaat mijn bril boven de rijstebrei
vlees is er blijkbaar niet, maar de ongetemde
levende dieren van Afrika knipogen ons
bemoedigend vanuit het donker toe

De sterren boven ons
spelen Michelin-gids
we eten zwijgend
zij is alweer terug naar bed.

Creool:  voertaal in het Westafrikaanse land Guinee-Bissau.

MONDSCHEINSONATE VOOR EEN VRIENDIN

De maan die bij opkomst
veel te groot was voor Shikanda haar meisjeshart
de platte rode maan die zij
in haar armen wilde beuren zodat hij op zijn
vlucht omhoog kleiner en witter zou worden
vrij van het bos en de horizon
heer van wat onuitsprekelijk is
die maan rukte het bloed uit haar schoot

‘Vader geef mij de maan
om aan mijn hals te dragen als mpande
laat ons volk hem voor mij plukken
als mijn borsten rijp zijn verlangen zij
meer dan naar een kind om te zogen
naar zijn koele macht in hun bedding
verlangen zij meer dan
naar een man mijn schoot’

Wat Shikanda nooit heeft gekregen
omdat dat niet in de macht van vaders ligt
heeft zich al honderd keer aan jou voltrokken
van open plek tot open plek gaand, gefilterd
tussen de bomen door tot aan het meer in de nacht
waar aan de oever tussen de dieren
die hun dorst gelest hebben plaats is voor jou

Waar je zwarte huid zich sluit om je bloed
en het maanlicht zich afzet om je huid
muziek maanlicht gul laat glijden
als droog fijn zand door je vingers
aan een oever vol fijn zand

Waarin nog vaag de verwaaide stappen
van hoe ik dichter bij je kwam
de dieren opschrikte weer wegging.

Mpánde:  koninklijk halssieraad in Centraal-Afrika, een platte ronde witte schijf met spiraalvormige ribbels, gemaakt uit de gepolijste bodem van een Conus-schelp uit de Indische Oceaan; vgl. het verhaal ‘De maan als hals­sieraad’ in Zusters, doch­ters.

VRIEND

Er is meer droefheid in de kleine vreugde
dan in de gefluisterde ontzetting, de bescheiden
hoogvlakte is een mist van gedroomde rotswanden

En durft niet meer te vragen waar
de hemel gebleven is?

Maar opgepast, onder zijn aardkleurige mantel
draagt Heer Vriend velerlei attributen die
als toegevouwen vleugels (beloften? evolutieresten?
kip? of arendsei?) bij zijn voortschrijden
nu nog de zwaartekracht helpen, aan zijn silhouet
die contouren verlenen, aan zijn gang dat traag dansende
van een Japanse meesterzwaardvechter
(die de lucht gutst tot
een stempel dat mogelijk ooit ‘zen’ zegt)
of van een Afrikaanse gemaskerde, meer dan levensgroot
en toch een soort god dus, maar in vermomming

Zelf niet afgevoerd in de woordentreinen
die hij rangeert naar buiten het rijk van verkoopbaarheid
de schema’s, termen, kaders waarin
hij anderen opgewekt binnenleidt
zijn voor hem hoogstens nog kleingeld
geslagen te Utopia en nu zoals een balling ze koestert
in zijn hoekje oppoetst op de verjaardag van een
niet doorgegane revolutie

Zou het met vuur moeten? Met schoppen? Kietelen?
Of met een emmer vol grondels (zoals bij de
‘Jongen die Uitging om het Griezelen te Leren’ ?)
Wordt het misschien per auto of vliegtuig beter bereikbaar?
Of op papier? Of toch maar
in Afrika, tussen Landrover-retoriek
en de eilandwaarheden van dorpen?

Of hoeft het allemaal niet van zo ver, zo diep,
zo voor altijd, en mag het gewoon, soms, vandaag bij voorbeeld,
hier, met ons, met haar,
nu?

WACHTWOORD

SPROOKJE VAN GRIMM

‘Je moet wel erg veel van het lichaam houden’,
stelt ze vast, bewonderend, half verrast
terwijl ik haar langdurig en nog door haar kleren heen
streel, zonder ongeduld, vol vertrouwen
en voor de vuist weg z— van een zeemeermin vertel
dat de jongen in haar andere arm lachend in slaap valt
maar zij haar onderwatergrotten opent
Eénoogje slaap je? Tweeoogje waak je?

En gestijfd door de afwezigheid van alle
gebruikelijke toestanden (het lijkt wel Afrika hier)
ga ik ingetogen door met mijn (toegegeven:
wat verlate, halfslachtige, en naderhand
gelukkig weer opgegeven) pogingen
toch nog de grootste minnaar ter wereld te worden

Misschien is dit de muze wel
niet erg gestroomlijnd maar wat een fidele meid
samen roepen we ten slotte dat die jongen
moet komen meedoen, en het is maar nauwelijks wennen
dat zij ook bij hem en terwijl haar hand
mij telkens op blijft zoeken
dezelfde klanken voortbrengt als bij mij zo‘ven.

MUZE

Dit geheimschrift is zijn eigen sleutel.
Nu wij zo samen taal geworden zijn,
en binnen deze exacte wetenschap van het verlangen
(want wat is dichten anders) de differentiaal-
vergelijkingen van onze liefde konden opgelost,
rest enkel het probleem van de empirische
toepasbaarheid. Kom dus maar gauw
in mijn armen.

Ter informatie: ‘Het zal nog wel een mensenleven duren,
voordat de vergelijkingen van Einsteins algemene
theorie der relativiteit volledig aan de
werkelijkheid getoetst zijn.’ Stemt zo iets niet
tot innige tevredenheid?

En mocht ik nog twijfelen aan de
daadwerkelijke kracht der poëzie,
dan is dit ene beeld genoeg:
me omhelzend, tast je mijn zakken af
naar het gedicht van deze keer;
vindt het, scheurt de envelop open, en mij
licht tegen je aandrukkend als een
willoze lappenpop, lees je
aandachtig (terwijl ik elke reactie
van je lijf registreer, en ik weet dat ik
nooit dichter dan dit kan komen bij de
vervulling van het dichterschap)
wat jij ons nu weer toegefluisterd hebt.

Er is ons niets te veel beloofd:
het woord is godverdomme vlees geworden.

MWENDA-NDZJANGOERA Mwendanjangula

Te weten dat jij bestaat

(Niet meer als schrille hoop tegen beter weten in
zoals het driftig zwepen van losse touwen
langs vlaggestokken in de wind
op een leeg winkelplein in de nacht
vrouwevoetstappen hallucineert, en de zee, en een lege
duistere steiger aan zee

Niet meer in de cadeauverpakking
van een ander land, een vreemde taal
en zelf geen opperheks meer uit het noorden

Noch onder de dichtgelaste transparante hoezen
van Zusters, dochters, mijn eerstvolgende boek;
niet langer nodig om schuilend bij de kookboeken
met mijn nagels al halve kratertjes in het
plastic te kerven, tot ik betrapt moet huichelen:
‘Mag ik dit exemplaar even inzien, juffrouw?’)

Zeker weten dat je er bent
dat je gewoon de wereld bewoont
niet alleen, en niet alleen met mij samen,
maar wel zo dichtbij dat ik je vaak kan
zien en horen om aan jou en van jou
te leren hoe alles moet
en je hand in de mijne te voelen
met al die kracht die dan in mij overstroomt
terwijl wij door de stad lopen of in de kamer staan
en die omgeving ons geamuseerd, toegeeflijk
verdraagt als luidruchtige kinderen

En soms zo helemaal samen met je
dat we (overal, ook voorbij waar we
open en met tere randen en vochtig zijn)
vergeten dat onze huid ons scheidt
zo samen dat we die wereld en alle
andere denkbare en te geboren werelden worden
en zelfs weten dat ons vrijen maar de incidentele
bezegeling is van een toestand zo diep
dat wij als lichamen, net als dit gedicht
haar naarstig mogen uitbeelden
maar die ook zo wel bestaat

Nu hebben wij het geheim ontdekt
van de halfling die (in een vagevuurbos ontdaan
van de linker- of rechterkant van zijn lijf)
verdwaasd over de boomtoppen hinkt
hij is de volstrekt naar verlangen opengelegde
niet alleen zijn armen en huid en penis
maar al zijn zintuigen en interne organen
en bovenal zijn hart
zijn tot rendez-vous gehalveerd
de niet meer bloedende snijvlakken
precisie-landingsplaatsen voor een
liefdesinvasie van buiten; hij is alles waar
lichaamsopeningen op hun beurt slechts de
onmisbare maar wat aandoenlijke symbolen van zijn
en niet andersom

Er is ergens (buiten het bos)
een andere helft die past
maar niet alleen op het lichaam,
en niet in een doodsbang omknellen,
maar in een overrompelend terugvinden, heel worden
krijgt hij zijn tweezijn
terug.

Mwénda-ndzjángoera:  bij de Nkoya, een volk in Westelijk Zambia, wordt zo een mythisch boswezen genoemd, een menselijke figuur van reusachtige grootte, en met alleen een linker- of rechterhelft. Geloof in dit wezen (geasso­cieerd met jacht, toverij, succes, geheimhouding, genezing en voorspelling) is wijdverbreid in Cen­traal-Afrika. De naam betekent: ‘Jij-loopt-over-boom­toppen’.

LICHTER

Nu ik je heel dicht naar me toegeschreven heb
en je (compleet met vleugeltjes, doorzichtige
heupdoek, koe-ogige blik - nooit weg toch,
zo’n opleiding) half leunend op één bil
het laatste plekje op mijn typetafel bezet hebt,
wordt het toch wel tijd voor iets minder dan
complete hekatomben, hogepriesterlijk
vertoon, het ketenrammelen van Prometheus.
Wat zou je denken van een lekker borreltje?
Of gewoon een scabreus gedicht zonder kosmische
incantaties? Of een speelse
haal over je haren, of je kont?
Of trek wat warmers aan over je
godinnevormen, vermom je
als een bekende, en ga mee
de stad in, ik trakteer.
Ik heb zo’n zin om je te plagen en aan het lachen
te maken, je te laten spartelen
en verwarren en verliefd te maken,
in plaats van steeds maar belast met
mijn hele hebben en houen,
al die verlangens en liefde en angsten
zwaar als een drenkeling.
Ik bedenk alvast
een opwindend verhaal voor straks.
Kon je eigenlijk tegen kietelen?
Wist je wel wat voor rotzak ik ben?
Mmm, ik hou zo van je.

REMBRANDT: WEINIG BEKEND ETSJE VAN EEN NAAKTE VROUW
Rembrandthuis


Hij moet het een beetje terloops gemaakt hebben,
zodat via momenten van gedachteloosheid
liefde veel dieper dan eigen trots bewustzijn
(zijn vette trekken, de verkleedpartijen van de
zelfportretten) de etsnaald kon over nemen, misschien
zoals deze pen nu

En daar zat ze opeens, op een simpel bed,
groot binnen dit klein formaat, beslist
wat aan de zware kant, en zonder dat
Rubens even kwam zeggen dat het zo juist moest, de vetrol
rond het middel wat vergoelijkt door tedere
arcering, de wijd uiteen geplante borsten, de armen zo
dat je je voor kunt stellen hoe ze in een andere
stand best de hele wereld kunnen omvatten,
haar schoot die innig eerdere,
gedeelde hartstocht bevestigt maar zonder nu al direct
weer aan te sporen tot nog meer

Haar hoofd wat afgewend, naar wat
niet van de kunstenaar, noch van haar zelf, alleen
kon zijn, maar van een waarheid zo volkomen
dat zij er samen slechts ingetogen het
voertuig van mochten vormen

Onthutst door allerlei vermoedens lijkt het wel
of hij de ets niet eens goed durfde uit te werken.
Maar hoe kon hij weten dat wat hij in werkelijkheid
neerzette, jouw lijf was, en dat hij niets anders deed
dan, meer dan driehonderd jaar vooruitlopend, ongewild
uit te beelden waar ik van dag tot dag
vol van ben, en ondanks al mijn schrijven
sprakeloos.

TOETJE

Het sprookje zelf werd er die middag
woordenloos bijgeleverd: Sneeuwwitje’s moeder

(Ongetwijfeld berucht om haar spartaanse
voorliefde voor open ramen, en haar Arbeid-Adelt
handwerkwoede ondanks haar kennelijke
onhandigheid, met ijsmuts en pelsjas aan
driftig voortnaaiend in de wintermorgen)
zwanger van symbolen die niemand bedacht kan hebben

Prikte in haar vinger, gezeten
aan het besneeuwde hardhouten raamkozijn
en bestelde gelijk maar een kind ‘met lippen
rood als bloed, met haar
zwart als ebbenhout, en een huid
wit als de sneeuw’

Nog zonder kleren aten wij
het maal dat jij voor ons had ingekocht
met een toetje van frambozen,
zwarte bessen en bulgaarse yoghurt -
Sneeuwwitje geboren bijna verloren
zich slapend houdend voor een prinsekus -

De bolvorm van de bosbessen die zich even
verzet tegen mijn verhemelte en dan
bezwijkend onder de druk van mijn tong
opeens toegeeft haar ijzeren bloed prijsgeeft,
de veel kleinere, brozere, menigvuldige
bolletjes van de zoete frambozen
yoghurt vlezige leliezalf

Wanneer ik je verken, licht
binnendring en wakker kus,
klaar.

WOERD

Hier mogen we even blijven
zoals water in je gekromde hand die je stilhoudt
meedeint met je polsslag, en zo
meer bij je hoort dan wanneer het zou stilliggen
al loopt het straks weer weg tussen je vingers

Het water buiten praat rustig
met het plafond binnen, in verschuivende
lichtende wolkenvlekken - stripverhaalballonnen
van zachte uitroepen die je zelf mag invullen
bij voorbeeld: ja; lief; straks; zeker;
lekker; later; altijd; en ook nog
een gebaar dat gelukkig geen naam heeft

En de korte woordenloze kussen
als het stil is, nog pas morgen
lang na ons eerste vrijen en lang voor het volgende
als ons lijf nog maar nauwelijks uitsteekt
boven het water dat ons twee‘n omspoelt
met de koele blijdschap van dat uur

Als ons leven
een woerd in dat water wordt: groene
staalglanzen, maar liefst twee
krullen in zijn staart ? en zelfs
het onopvallende grijze aderpatroon op zijn buikveren
is als je goed kijkt zo complex en volmaakt
dat ik best ??n keer vrijen met jou
zou willen overslaan als ik in ruil daarvoor
die schoonheid blijvend voor jou kon vastleggen
(nou goed dan, twee keer, maar het moet niet
te gek worden natuurlijk!)

En in je polsslag klopt het water
en het water draagt als Christofoor
het Hollandse land waarop ik met jou mag lopen
en in je ogen, in je schoot, je stem
laat je me drinken ? laaf je me
had ik bijna gezegd, maar die woerd
moest knipogen tegen ons twee‘n.

WELTERUSTEN

In plaats van ik zelf komt dit gedicht
alvast bij je slapen
en terwijl je los ligt, zonder aanraking
(een eigen leven dat je bevecht,
en niet alleen om met mij delen),

Vullen mijn woorden zich
met het zekere ritme van je ademhaling
waarin je stem nu slaapt:
een krekel uitgedanst, opgerold tegen zijn cello,

En je krullen kruipen mijn handschrift binnen
mijn gedicht valt in slaap
net als het denkt te gaan zwemmen
in het kratermeer van je navel
nadat het de cirkel van heuvels
is overgetrokken, mijn hand op je buik
heeft ze gevoeld: zo is het rondeel ontstaan,
en Stonehenge, en het besef
dat strelen reizen is
rond Columbus zijn ronde wereld
naar een doel waar aankomst

En in jullie slaap
vallen de huidgrenzen weg tussen jou en dit gedicht,
de sinterklaaspakjes van hunkering en vervulling
waarvoor dit gedicht te moe of te haastig was
om ze nog een voor een

Kantelen je droom binnen en je gezicht
straalt in het donker, mijn lippen doen pijn
van ingehouden verlangen je wakker te kussen

En ik denk niet dat je hoort
wat ik fluister.

NA HET VRIJEN

‘Stil’, zegt ze,
‘hou je lieve streelhanden maar stil
vouw de kleuren van je verhaal maar weer toe
leuk is hij zo, klein als een jongetje
zo past hij goed
in het foedraal van de toekomst
ik vergeet heus niet hoe het weer open moet
graai jezelf bij elkaar
en laat maar een vliesje van afzonderlijkheid
stollen op het sap dat wij zo juist gemengd hebben
moet je nu echt nog zeggen
hoe goddelijk het is geweest?
zelfs de voorwerpen stralen nog na
was de geuren van je handen
en koester ze niet als een laatste haarlok
natuurlijk hou ik van je
kijk maar naar de zekerheid waarmee
ik nauwelijks afscheid van je neem
doe toch niet
alsof we alleen in bed
of op papier samen zijn
en alsof alleen wij

Kruip onder het duinhek door
wuif de branding zachtjes toe
met de witte zakdoek van rust
moet je nog zeggen dat je van mijn lijf houdt
je woont er veilig in als in een wereld
en niet alleen zoals zoëven
maar steeds, de zee in het grondwater
overal diep landinwaarts
zoals alle tonen wonen in de stilte
en alle verhalen van ooit en later
te gast zijn tussen de
reeën van ons bos.’

REE

De voorouders hebben ons een ree gezonden:
twee keer, en van de rechter kant, zoals het hoort

Zo zeker was hij van zijn rol van boodschapper
(en zo nodig was de boodschap na de
nacht die de eerste van de tweede keer scheidde)
dat hij ons opwachtte, die tweede keer, en ons
lang aankeek en met zijn oren gebaarde
dat wij hem moesten volgen, de houtwallen in
tussen het kleine open land, de woordenakkers
uit, het dichte bos in waar de taal
laag staat als grondwater en de wortels
van bomen (aderen van het bloed van de aarde)
woordeloos ruisen, zoals jouw lijf
tegen mijn angstig lijf, je hand
om mijn hand, bij de
nadering van deze ree

We mogen in zijn twee oren
slapen en op zijn neus mee-
rennen in de wind hij laat
ons de kleine bosbloemen zien
en er is geen hoger geluk
dan in zijn sprong over de omheining

En leg je vinger op mijn mond:
mijn wond van taal
waaruit wij even dreigden
dood te bloeden.

RESTAURANT

Zomeravond, balancerend op de
rand van een te klein tuinterras
omgeven door anderen, omgeven door de
rommelige binnenkant van het huizenblok
gelukkig zijn de bomen hier drie eeuwen oud
onze stemming laat haar benen bungelen
over de lijst van een bekend
expressionistisch schilderij

Wij drinken de beste wijn die we
ooit samen hebben gedronken
(en ook de duurste trouwens), praten,
lachen, stralen, onze voeten
raken elkaar voortdurend koesterend
geen lichaamsdeel komt iets tekort

Twee tafels verder danst de stem
van een bekende persoonlijkheid bloot
tussen de etensresten, maar onze toverkring
blijkt sterk genoeg

En als we onze plaats verlaten
koop ik met zo'n rekening
mijn laatste vage angst wel om
tot de zekerheid van rijping,
de beste wijn.

NOCTURNE

Waarom zo stamelend
toch onderwijl bedreven genoeg om na pose weer
spontaan te worden (contouren die
eerst dubbel nu weer
met zichzelf samenvallen),
met door oefening verstaanbare fluisterstem,
tederheid om te beschermen niet uit weerloosheid
blijkt de nacht minder dicht blijken wij
dichterbij wat zou ik nu graag
stil mijn armen om je heen slaan
en niets anders voelen of denken dan:
‘nu sla ik mijn armen om mijn
enige lief’

De potten krokussen die ik mokkend om mijn
verspeelde tuin had gekocht
stonden vanochtend in bloei toen ik wakker werd
de rozeknoppen die ik je had gegeven
en die ik na je vertrek elke ochtend en avond met mijn
ingedoopte vingers driftig zegenend heb besprenkeld
staan nu opgegroeid en huwbaar als jouw rivalen
naarmate ik vrijer word kan ik jou kiezen
in bedachtzamer groter zekerheid
alsof je slapend hoofd tegen mijn schouder
alsof het nu mijn beurt

Waarom zo stamelend
toch zonder nog bang op het wachtwoord te wachten
waarvan jij noch ik
weten of het nog geldt.

REISAMULET
om in je hart te vouwen


Wat je achterlaat reist met je mee
wat je terug wilt vinden blijft bij je
de meeste sterren zullen we blijven delen
het blijft dezelfde zon, dezelfde maan
waarin de tastbare voorwerpen
oplichten: arken van ons verbond

Ik zal je stem en je aanraking missen
maar er niet naar op zoek gaan; als bewijs
van dat wij onafscheidelijk zijn
mag je nu gerust weggaan, iedere stap
die ieder van ons in afzonderlijkheid zet
blijft immers ondersteund door ons beiden

Maar vogels die naar het noorden vliegen
zal ik boodschappen voor je toefluisteren
om je na een nacht van twijfel
ook ginds jubelend te wekken
met het alleen voor jou herkenbare
wachtwoord: Alexandrijnse

ochtend
tuin
tonen
ooit.


‘te vouwen’:  de verwijzing is naar een Islamitisch amulet: een gewijde tekst door een deskundige op papier gezet, onder het opzeggen van gebeden bewie­rookt, en vervolgens (bij voorkeur zonder dat de cliënt kennis neemt van de inhoud) opgevouwen in een onder de kleren te dragen leren zakje of edel­metalen houder.

ARABISCHE REIZEN

OMAR KHAYYAM

‘Wij zitten samen in dezelfde boot.
 Ons licht is nietig, en de nacht is groot.
 ÊKom, laat Uw plan voor aan de overzij varen:
 Hij Die de liefde schiep, schiep ook de dood.’


Omar Khayyam: Perzisch dichter van veelvuldig vertaalde en ge•miteerde kwatrijnen (gestorven 1123 A.D./ 517 H.).



AVONDBUS

Na een uur rijden door de door onbekende
oorzaken (droogte? overbevolking? of gewoon
akkers die ingezaaid liggen voor de winter?)
gruwelijk naakte vlakte buiten de havenstad
(de onrust van: oma heeft bij het aardappelschillen
haar jurk te ver opgeschort en je ziet ongewild
haar broek tussen haar -

VERBODEN TOEGANG)

Trekt gelukkig de nacht haar jurk weer goed
en na het onverwacht vrolijke kruisverhoor
met koffie en broodjes onder felle lampen
van de eerste pleisterplaats (jammer alleen
dat modern sanitair niet zonder water kan)

Nestel ik me zo netjes en toch zo innig
als christenhonden dat lekker mogen
in een onverlichte Arabische bus
in je koele zachte armen, wassend
komt de maan op en wijst boven zachtjes
ademend slapend heuvelland
de weg naar de koningsstad in het zuidoosten

Bushaltes, te moderne stadjes, blote
gloeilampen van eivolle winkelhallen
en de in fraaie armaturen schuldgevoel wekkende
nachtlampen van de politiebureaus
(kun je hier als toerist nog wel komen?)
suizelen zonder ons te claimen voorbij

Bij de voorlaatste halte komt een Koraanzanger
de bus stroomlijnen om nog sneller heen te breken
door de geestennevel van het palmbos, op
naar een verbijsterend geluk (hem
trekt het zeker niet: hij stapt gelijk weer uit
of is onze aalmoes niet toereikend?)

En je, zij het fluisterend, weer eens belerend
wijs ik je op de avondster, Venus, die zich
aanvlijt tegen de maan, vastbesloten
ons in dit land niet meer te verlaten;
voor het eerst zie je bewust een planeet

Zonder contouren zonder ongeduld
slaan zich woorden en verlangens in ons op
vanzelfsprekender kan ons verbond
nauwelijks zijn; ik forceer droge ogen
want je voelt je behaaglijker als ik ironisch
de glorie van ons leven een beetje ontveins.

SOEKS

Je jaagt me baldadig ons bed uit
de omhelzing van de markten in
ik mag je nu tot aan de siësta niet aanraken
en koel mijn tastzin maar aan koopwaar

Klim achter jou aan de wankele ladders
van loven en bieden op en af
(constateer terloops tersluiks hoe sterk
jouw benen deze weelde) volg
de gangen even niet van je lijf maar van
dit stedelijk doolhof van kunstmatige begeerte
waar juist als tussen ons niets een prijs heeft
je niets verwerft wat je af wilt dwingen
maar dat waarvan je afziet je nagebracht wordt

De eiersnijder van de lattenplafonds
snijdt plakjes zebralicht vol archa•sche
uitlaatgassen: kruiden, houtstof, muntthee -

bewierookt

Belanden wij ten slotte in het hart van de markt
op een steile trap naar waar in de pijpenla
van een zilverkoopman het zilver bij opbod
niet goedkoper maar duurder wordt:
zo rekken we tijd om met mijn Arabisch-op-reis
de inscripties in armbanden en amuletten
prevelend biddend te ontcijferen

Bieden wij schaterend op tegen het geluk
en bij het voldaan afdalen (de lege handen
vol ongekocht zilver, de ziel
dralend bij ka'aba, kaballa)

Zie ik nog snel hoe mijn enige rivaal hier
(de dichter die ik had moeten), zijn vermomming
van koopman laat vallen, ons al ongeduldig
voorgaat naar het hotel.


Soek:  Arabische markt.
Kaaba:  de heilige zwarte steen, waaromheen het centrale heiligdom van de Islam is gebouwd te Mekka.
Kaballa:  mystieke getallenleer, grondslag van waarzeggerij en amuletten in de Semitische/Arabische wereld.

GOUDEN MINIATUUR

Binnen een kabouterdeurpost
(twee centimeter hoog en een halve dik)
leunde rustig zonder kleren
horloge, koffers of papieren
het gouden mannetje van de soek

Kijk er hoeft niet eens een deur
naar het verleden of de toekomst
alle tijd suizelt door deze poort
liefdessnikken met je liefste
gaan door voor ademtocht van God

Ik ben geen sieraad om te dragen
wie mij kopen dien ik niet
maar wie op dit moment vertrouwen
laat ik zonder tol passeren
en ik volg langs manestralen
om hun gangen te bewaken
herder te spelen van hun dromen
tot ik mij een onderkomen
vouw uit een van hun gedichten.

GASTARBEIDERSLIED

Genodigd in de binnenste kring
van omstanders, wordt ons geld
gezegend, trots getoond
aan wie hier horen, hier
wordt elke reiziger nog het
heilige pelgrimskleed omgedacht
van onze aanraking genezen nog kinderen

En terwijl wij ieder maar net
één bil kunnen balanceren
op een tijdelijke troon: een omgekeerd kistje
door de muzikanten ongevraagd afgestaan

Omhelzen de zangstemmen van de twee broers
(stemmen zelf gelijk en verschillend
als broers die weidegebied in de bergen
bevechten tegen zonen van andere vaders)

Omhelzen kuis de luit en de darboeka
en de kring van stille toehoorders
die staan, en ons, buitenstaanders,
maar die mogen zitten, alsof wij ons
bij zoveel sereniteit niet zouden kunnen
staande houden

En die ter plaatse horen worden vreemden
vertrekken naar ons deel van de wereld
langs een weg zo weg, zo zeer
dat daar zelfs voor hen
alleen onze eigen woorden
hem kunnen beschrijven - zichtbare
tranen binnen de verstikte snikken
van het Arabisch dat ons ontgaat:
básbor, treng, stasjèng,
paspoort, trein, station (vrouwen die niet
in het openbaar ten afscheid gekust mogen worden
kinderen gepaaid met de belofte van
speelgoed dat per post zal arriveren
zijn zij al op reis, als vee
beledigingen opgelicht eindeloos wachten)

Bansjóng, Baríes, ielcháal, boelíes
pension, Parijs, illegaal, politie
verstrooid in kleine groepjes ontheemden
op zondagmiddagen, gedecreteerd door
een veracht geloof, goedkope
verouderde herenpakken, schichtig
tussen stadsbussen waarop de verwarrende
bestemmingen grijnzen als deportatiebevelen

Het lied stokt: wie keerde er terug
naar dit land waar ons kopergeld
van vreemden nog als een met
speeksel en spreuken gezegende goudgift
aan het volk getoond wordt

Zodat wij maar niet eenzaam hoeven zijn
onze schaamte van ons wordt weggezongen, onze handen
van de wanhoopsstriemen rond hun keel
worden losgemasseerd, zacht teruggelegd
in onze schoot.

Darbóeka:  vaastrommel.


LOOIERSBUURT

Edel zijn ze niet, de koeien, schapen,
geiten die hiervoor het leven laten
zij dragen maar zo'n fractie eeuwigheid
dat, wil je nog iets van ze bewaren
- en dat kan dan alleen maar hun buitenkant zijn -
behalve hun huid verder alles maar dood moet

Gewaagd proces dat (onder afgrijselijke
stank van bederf en terwijl de looiers
tot aan hun heupen in de bekkens
steeds weer dreigen zelf onder te gaan)

Wat rafelig leer oplevert, waarin het dier
alleen voor God nog is te herkennen,
in de soeks aan de andere kant van de stad
in de vermomming van tasjes, schoenen
poefs zelfs, door vromen met winst te verkopen
de looiers beuren twee gulden per dag

Beheerders van kratermeren waarin de hel
geometrisch is nagebouwd: poelen
van transformaties dieper
zelfs dan in dichtersdromen,
bij de stadsmuur hebben jullie je eigen
maanbasis, zo vertrouwd met de dood
zijn jullie al niet meer van deze aarde

Mummivaatwerk waarin ook de huid
van jullie armen en benen verduurzaamd gaat worden
farao’s in lompen ik gun jullie straks een
pyramidegraf in het zand onder de maan

Nederige dichters van wat anders
spoorloos zou verdwijnen als gesproken taal
ik schrijf dit met leren muilen aan
wie is de muze van het looien
wiens produkt zal eerder vergaan?

VORSTENGRAVEN

Ook hier rust hij hier ook
in deze voor gestorven vorsten
in stucwerk en houtsnijwerk uitgevoerde
druipsteengrotten van sterfelijkheid
patronen nauwgezet ingevuld zonder
de minste overmoed of opstandigheid:

‘Allemaal puur met de hand, Meneer
vierhonderd jaar onberoerd, onbewogen
dat is een hele klus, Meneer’

Niet de toeristen en de nog
spaarzamer gidsen heersen hier
maar als in gedichten steeds dezelfde paar
formules die hun kracht bewezen hebben
(zodat zij nog slechts één vraag opwerpen:
in welke mate zijn zij al uitgeput?)
dezelfde paar soorten bekende bloemen
duiven die zich onaangedaan ophouden
in gaten in de hoge blinde muur
het toenemend duister in de bogen
licht dat klein
invalt als een in-
geving

De graven liggen eenvoudig, gelijkvormig
als mensenlichamen van statiekleding ontdaan
de dood ontvangt ons als een vriend in pyjama

Allah heeft zich al lang teruggetrokken
in de sluitstenen van de gewelven, niet te schatten zo
hoog of laag, de ruimte daaronder
lijkt voor ons allen gereserveerd

De bloemen geuren niet de duiven koeren niet
gelaten verzinken de teksten
in hun houtnerven en steenaders
maar het verdriet heeft voorgoed
zijn kleine ruimte toegemeten gekregen
en rust daarbinnen bijna glimlachend
de tomben fluisteren ‘doodzijn
is leven in het klein’.

HET PAVILJOEN

Groen vierkant uitgespannen
om haar in te vangen, paviljoen
vlinderval om haar te bedwelmen,
bij de collectie in te prikken

Wist zij dat dit de laatste rozen waren
die zij zou zien, hun kleur
bijna schuilend in het zwart van de avond
hun geuren waarin heel haar tevergeefse,
te korte leven nog eenmaal tot hoop?

En hoe verrukkelijk was tegen de zonsondergang
scherp het palmbos, als zij verstolen
opkeek voorbij zijn omhelzingen
en stil de grote vierkante vijver
waarin nog die rijkdom aan palmen verdubbeld;
was het de wijn die hem
zwijgzaam maakte als de windstilte, en haar al
willoos als dood - hoe peinzend
bezag hij haar sieraden zonder ze af te doen.

Als hij haar ontklede lijf
in al haar toegangen woest had geopend
haar kreten van genot en pijn had gesmoord
verdronk hij haar in de vijver

Het water zijn enige, winnende rivaal
opende haar toch voor het laatst nog, doorspoelde haar
dieper dan hij, waste hem weg, en tilde haar
naar de ochtend tegen de palmen aan
schraagde haar op de spiegeling van palmen
schikte teder haar sieraden recht
streelde haar uitwaaierende haar

En hier lopen wij dan,
honderd jaar later
ik schaam mij over deze plek
ik schaam mij iets van hem te begrijpen
als ik nog ooit met je durf te vrijen
posteer dan je eigen tot de tanden gewapende
lijfwachten achter het gordijn.

OBE

Dit is toch het land van voorouders
kruislings over de dalen gestrikt
heiligdommen bloed kotsend uit offerkelen
een struikeling in de tijd

Ja wild chóeje, ja wild bint aámmi,
de overdaad van het gist dat Boe-Chmirra
bereidde tot maal voor zijn dochter d'r vrijers
ligt zelfs nu nog hoog langs de horizon opgetast
eet je zelf erdoorheen en je wordt een mens

En vergeet niet:
voor je op deze manier werd ingesloten
in ons leven van tramgeluiden, stereo en slurpende ijskast
en we je half met tegenzin gingen temmen

Speelde je al ondersteboven tussen de bomen aan de rivier
tussen kind-herders in een soort paradijs van vroeger
en dronk je via-via het water uit de
heilige bronnen van dit land

En als het waar is dat jouw tijd nu pas begonnen is
liep je daar vast wel hand in hand
met mijn eigen toen nog ongeboren dochter
samen soms loerend door de smalle uitgang
maar slim genoeg om nog te blijven
zitten waar je zit

En terwijl ik blij en een beetje jaloers
speciaal je Achilleshiel ben komen bekijken
(waarlangs je ooit weer, schouderophalend
of met geweld weggesleurd, zult vertrekken)
buldert van God weet waar je
grootvader je zijn naam toe
niet een toevallig ornament geen amulet zelfs
maar een koele valkuil van zinvolheid
in deze zandverstuiving van geboorte en dood.


Obe:  naam van het kind ter gelegenheid van wiens geboorte dit gedicht werd geschreven.
Ja wild  etc. (Arabisch): ‘O zoon van mijn broer, o zoon van mijn vaders­broedersdochter’.
Bu-Khmirra (Arab.: ‘Man met de Gist’): mythische eerste bewoner van de naar hem genoemde, bergachtige Khumiriyya landstreek in Noord-west Tunesi‘; volgens de mythe bewees hij zijn status van heilige toen hij, met niets dan wat gist in huis, een feestmaal te voorschijn toverde voor een gezelschap dat naar de hand van zijn dochter kwam dingen.

ARABISCHE REIZEN

1  1968

Zingend aan haar platte graanmolen
waarvan de bovenste steen de hemel is,
de onderste de aarde: het steile groene dal
met de ruige groeven van stenige voetpaden
waartussen het graan dat zij zelf geoogst heeft
tot voedsel wordt opengebroken de molen voortgedreven
door de korte stok loodrecht in haar hand
bijna als de hand van Rabbi, die trouwens
onzichtbaar om de hare heen ligt, geduldig
leidt als de hand van de juffrouw
een schoolkind bij een schrijfoefening

Telt Nezjma bint Hassoena
zingend haar zegeningen:

Ze heeft een koe,
haar geitjes zijn gezond en hebben
ook dit jaar tweelingen geworpen,
haar huis is regendicht, de meelvoorraad erin
reikt verder dan verwacht, haar man heeft werk
als metselaar zodat ze onder dekens kunnen slapen,
de sjiech woont ??n huis verder en zijn beide
vrouwen, zijn zuster zelfs, beginnen Nezjma,
hoewel uit een ander dorp ingehuwd,
eindelijk te respecteren

Want haar vier kinderen zijn zonen
hun heilige Opa Mehèmmed, begraven
op de Grote Heuvel, toont
de laatste jaren zijn voorkeur voor haar
als enige mag zij op zijn feestdag
dansen in zijn heiligdom

En haar broer is de vriend van de
ongelovige (zo bleek en jong
onder zijn te ruige baard)
die in het dorp is komen wonen,
over niets anders praat dan de heiligen,
van alles meeëet, danst
als de jonge mannen die er horen,
en die de reeks van Nezjma’s voorouders
beter kent dan zijzelf:

Nezjma
bint Hassoena
bin ‘Abda
bin Salah
bin A’oen.

2  1970

Twee jaar nadat de dorpelingen mij
een brief aan je moeder hadden gedicteerd
waarin de opdracht jou maar gauw te krijgen
komt zij hier ten slotte aan, zij heet
opeens net als de moeder van de sjiech
en draagt jou in haar buik, onder de malachfa
die de vrouwen van de sjiech haar giechelend
hebben omgehangen (zonde, vinden ze, om
boven zo’n mooie dikke buik je borsten
af te knellen in een bh
ze juichen als hij preuts van onder
de kleren uitgetrokken wordt)

Jij rekt en duwt onder de ceintuur
die in het heiligdom wordt losgeknoopt
om Opa Mehèmmeds genade toe te laten
zo word je onder schrille keelgeluiden
van al die vrouwen ook een beetje
kind van hem

En weer op het erf teruggekeerd
moet worden uitgemaakt of jij nu die naam
van Nezjma dragen mag als je een meisje blijkt
(dat had ik namelijk allemaal besteld)
dus Nezjma komt examen doen ? is zij nu echt
die sterke blije vrouw wie alles lukt, van wie
leven en voorspoed vloeit in alles
wat zij aanraakt? Je moeder lijkt overtuigd

Als Nezjma ten slotte haar naam vermaakt
aan jou, de dochter van haar verre broer
legt zij ons uit: ‘een ster, het zijn
de sterren, en-nezjóem’, en wijst
naar de hemel waar de late middagzon
zich alvast kleiner maakt, voor als
jij gaat schijnen zeker.

3  1979

Gewapend met een zilveren medaljon
dat fotootjes bevat van beide Nezjma’s
zit ik, na dagen ongeduld, in haar uit takken
opgetrokken keuken, en mijn hoofd
leunt tegen de schapehuiden karnzak
waarmee zij altijd achteloos bezig was
tijdens mijn interviews zo lang geleden

Ik zie hoe zij brood kneedt, hoe haar zonen
groot geworden zijn, haar man Elhédi
nog even oud en even stil, zij zelf
ouder, ziek, en tussen haar werken door
kijkt ze me telkens peinzend aan
terwijl ik mijn ontroering tevergeefs verberg
achter de zoeker van mijn fototoestel
en vrijwel alle foto’s laat mislukken

Heeft zij soms al haar kracht aan jou weggegeven?
begrijpt zij waarom ik deze bedevaart
naar haar ben komen maken? er zijn zoveel mensen bij
dat wij gelukkig nergens over hoeven praten

Het medaljon
weigert ze eerst plichtmatig maar ik leg het
in haar handen in plaats van een kus
en neem het vliegtuig terug naar